Tagarchief: Zuid-Korea

Park Jiha – Philos LP

Park Jiha Philos LP recensie en informatie over het nieuwe album, inclusief nummer en tracklist. In 2018 verscheen het tweede album van de Zuid-Koreaanse Park Jiha. Op deze pagina kun je de bijzondere recensie van Tim Donker lezen van het album.

Park Jiha – Philos LP Informatie

    • Titel: Philos
    • Uitvoerende: Park Jiha (Zuid-Korea)
    • Muziek: jazz, wereldmuziek
    • Soort album: studio LP
    • Label: Mirrorball
    • Verschenen: 2018
    • Totale tijdsduur: 37:07
    • Dragers: CD / Vinyl LP

Philos Nummers en Tracklist

Park Jiha Philos LP Recensie

  1. Arrival (3:03)
  2. Thunder Shower (4:15)
  3. Easy (6:08)
    featuringDima El Sayed
  4. Pause (2:08)
  5. Philos (6:05)
  6. Walker: In Seoul (5:59)
  7. When I Think of Her (5:12)
  8. On Water (4:17)

Beluisteren via Spotify


Park Jiha Philos LP Recensie

Recensie van:  Tim Donker

Denkend aan de slag. De slag van de kracht.

Denkend aan de kracht. De kracht van de slag.

Denkend aan de diskussie die ik nu al veel te vaak gevoerd heb. Met hem, en haar, met de buurman en met wie dan ook. Luister, dit is hoe het gaat. Je praat me iemand en die heeft een smaak. Een smaak in mjoeziek. En die smaak is dan eklekties ofzo. Of ruim, of breed. Het maakt niet zoveel uit hoe je het noemt, als die mjoezieksmaak dan ook maar echt breed is. Want ik bedoel niet het soort breed van mensen die naar de top veertig luisteren maar op zondag ook al eens Beethoven durven opleggen of nee wacht, nog veel erger: mensen die zeggen dat ze AAAALLLLEEESS hebben, en dan deze formulering daarachter, let op: alles “van Abba tot Zappa!”. En dan zeg je nou doe dan Zappa maar, al ben je allang geen Zappafan meer, onlangs nog deed je al je Zappaboeken weg en onlangser nog gaf je het leeuwendeel van je Zappaseedees aan je zoon (en je dacht: verrek, Zappa heeft honderd seedees uitgebracht en maar tien ofzo ervan zijn echt goed;;; een vele hogere skore nog –persentueel gezien, kmeen- dan een miljoen andere artisten maar toch te ondermaats om er zo lang zo hard fan van geweest te zijn) en nu hoor je soms, als hij met een vriendje op zijn kamer zit en vol trots zijn seedeespeler demonstreren wil loeihard Zappa komen uit de kamer van je zesjarige zoon en dat blijf je iedere keer weer een wat vervreemdende ervaring vinden. Goed, doe dan maar Zappa zeg je, oja daar was ik: Doe dan maar Zappa zeg je en dan is het altijd hetzelfde: kunnen die mensen die AAAALLLLEEESS in huis hebben, van fucking Abba tot fucking Zappa, toch zeker even de Zappa niet meer vinden! (ja stond dat nu onder de Z van Zappa of de F van Frank of de M van Mothers of Invention of de J van Ja dit heb ik natuurlijk niet echt in huis, wat had je dan gedacht?). Nee ik bedoel mensen die écht een brede interesse hebben in mjoeziek – en dat je dáár dan mee staat te praten. Want dan laat ik het me foorsiktitkjes weg wel eens ontvallen wat naar ik denk de keerzijde is van een grote en diverse mjoeziekkolleksie: je referensiekader is recht evenredig aan je platenkast. En dus hoor je vrijwel nooit meer iets dat je echt volledig nieuw in de oren klinkt. Je kunt haast alles wel relateren aan iets dat je eerder hoorde, of er een mengvorm in horen van verschillende ietsen die je eerder hoorde. Dat ik zo voorzichtig ben dit naar voren te brengen, ook onder in mjoeziekaal opzicht gelijkgestemden (ha!), is omdat de reaksie altijd dasselbe is en volgens mij volslagen naast de kwestie. Men gaat dan ommers altoos murmelen dat ze dat niet kennen want “Er is nog genoeg dat ik mooi vind”, of de meer materialistiese variant hiervan: “…dat ik hebben wil”. Ja maar daar gaat het dus niet om he. Ik ben niet opgehouden en ga nooit ophouden mjoeziek mooi te vinden en daar ik mijn hart verpand heb aan de fysieke geluidsdrager (vieh-ziek) (& seedee voorop; men heeft mij, en ik heb dat al vaak genoeg verteld, in de vroegjaren negentig zó hard van het vinyl weggepest dat ik er niet aan denk daar ooit volledig naar terug te keren) zal ik ook nooit ophouden dingen te “willen hebben”. Maar iets dat totaal nieuw is, totaal onvergelijkbaar met alles wat ik inmiddels denk te kennen – nee, dat hoor ik niet vaak meer. Ik hoor teveel, te obscuur, te experimenteel, uit teveel windstreken. Zoiets. Denk ik.

Of denk ik niet. Denkend aan de slag, de kracht, denkend aan Park Jiha.

Ja. Park Jiha. Koreaanse jazz, niet minder. De verstilling, het open geluid, de randen van uw dromen, de klank die u in zich lokte. O, de eerste keer dat haar Communion zich zo fluweelzacht op mijn trommelvliezen te ruste legde. Ik wist niet hoe ik was. Ik wist niet waar ik was. Ofja ik weet nog wel waar ik was: ik zat in zetel voor seedeespeler met hoofdtelefoon op mijn hoofd. Maar ik was ook overal waar geluid is nadat het gehoord is. Dit was. Dit was nu weer. Dit was nu weer eens iets.

De eerste keer dat ik Pink Floyd hoorde bijvoorbeeld.

Ja, ik hoor u al lachen. Pink Floyd. Sukkel. Maar ge gaat u dan bedenken moeten dat het mjoeziekaal domein waar ik van mijn tiende tot mijn zestiende vertoeft haadt, het strikt metalen was. Alles was er van metaal, en je mocht er niet buiten. Dat zou verraad betekenen. Niet eens zozeer aan uw medebewoners maar aan het metaal zelve. De andere opgaaf was om binst het metalen domein af te koersen op dat wat steeds luider en steeds ekstremer de zwarte parochie uitschreeuwde. Als je dan op je zeventiende voor het eerst echt naar Pink Floyd luistert (ik geloof dat het Wish you were here was) dan is dat een hiepnoze die nog dagenlang nazindert in hoofd, hart en lendenen. Dat kan ik u verzekeren.

Of de eerste keer dat ik There’s no-one what will take care of you hoorde. Of het eerste Tindersticks-album. Of Mount Eerie van The Microscopes. Of de eerste generasie postrock-platen. Dat je het niet kan plaatsen omdat het buiten al je categorieën valt. Zoiets dus. Park Jiha. Communion.

Nah, het was niet dat ik totaal ontwapend stond tegenover dit geluid. Met een deel Gamalan Son of Lion, een deel Midori Takada en twee snuiven Cenk Erün en Nilüfer Ormanlž kon een mens maar zo al halverwege het geluid van Park Jiha ween (hell, herkende ik er zelfs niet wat vage echootjes van Asaf Zeki Yüksel in?). Maar het kon evenzogoed ween dat men met zulk een resept alras halverwege iets totaal anders zou uitkomen; halfweg op de heuvel ofzo.

En het gaat dan niet eens om de allermooiste platen die ik ooit hoorde. Het gaat om oerplaten. Om sleutelplaten. Om platen die je vragen een nieuw vakje aan te maken in uw brein. Dan kan je soms later nog best eens tot de ontdekking komen dat er binst dat vakje nog veel betere platen gemaakt zijn. Zo is Pink Floyd bij lang, bij ver en bij breed niet het summum van de psychedelische mjoeziek. Het gaat om de slag. De slag van de kracht. En de kracht van de slag. En die is op één altijd harder dan op twee of drie of vier.

Park Jiha dus. Voorwaar ik zeg u. Ik maakte alvast een nieuw vakje voor haar aan in mijn brein. Neen. Een nestje. Waarin zij zich te ruste kan leggen. Ik denk niet dat het een druk nest zal gaan worden, het kan maar zo zijn dat zij de enige is die erin wonen zal. Het is misschien ook niet een volslagen nieuw nestje (ook iemand als Volkan Ergen woont op loopafstand); het is gemaakt van hergebruikte materialen (de wortels gaan terug totaal de Koreaanse tradisie), maar het is nieuw genoeg en de kans dat ik tussen nu en mijn dood ooit een kenner ga worden van Koreaanse tradiesjonele mjoeziek acht ik nihil dus voorlopig blijf ik Park Jiha koesteren in haar uniciteit. En dan nog: zelfs met koreaanse tradisie, jazz en ethnische mjoeziek in zijn totaliteit beschrijf je wel de kontoeren maar niet de diepgang van Communion.

Maar ik dacht aan de slag.

Ik dacht aan de kracht.

Nu is er Philos. En hee. Nu ken ik toch één ding dat heel goed lijkt op Park Jiha. En dat is Park Jiha. Dat is de slag van de kracht en de kracht van de slag. Ik ben al niet meer op één. Want één was Communion (ook meteen haar debuut geloof ik, al ben ik sijfermatig slecht; ik ben niet de feitjeswetende resensent – u weet wel, die gast die weet in welke bands de drummer allemaal nog drumde en in welk verlee onder welke andere namen er nog materiaal van deze artisten te vinden is). Philos – dat is twee.

Denkend aan de slag. De slag van de kracht.

Denken aan de kracht. De kracht van de slag.

Bievoorbeeld. Bievoorbeeld hè. Bievoorbeeld dan het eerste liedje op de plaat. De opener kun je zeggen maar je kunt ook anders zeggen je kunt ook niks zeggen een opener opent en deez mjoeziek hier die is al open. Hoe ook. Het eerste liedje heet Arrival en nee we komen niet aan we komen nooit aan het is een eeuwig durend aankomen, dit. Metalige perkussie en blazers. Het zouden gestopte trompetten kunnen zijn maar daar klinkt het een beetje te onalledaags voor. Het instrumentarium, zoals opgesomd in de hoes (in de hoes ja, het is zoon openklaphoesje weetjewel) biedt weinig soelaas. Park Jiha die haast alles zelf speelt, speelt…., speelt… piri, saenghwang, yanggeum en glockenspiel… (hee, glockenspiel, dat zou die metalige perkussie kunnen zijn! al klinkt het hier dan wat hakkender, wat meer stakkato, een heel stuk minder “brons” als u me begrijpt dan ik van glockenspiel gewend ben) & weet ik veel op welk van deze instrumenten je blazen kunt en zin om dat te googlen heb ik niet want ik wil, ik wil aan de verbeelding overlaten dit (VERRRBEEHHLDINGGG). Ik peins me het klinkt schelpfluitjes gelijk, ik peins me alikruiken en blazen en hoe het geluid groene heuveltjes afrolt.

Betoverend. Prachtig. Hiepnotiezerend. Wondermooi. Onaards. Schitterend. En als ik een lul was zou ik zeggen: voer voor de eindlijstjes (eindlijstjes! hoor mij bezig!). Welke woorden kan ik bezigen om aan te geven hoe zeer ze me bezielen: die drieminuutdrie van Arrival alleen al. De mjoeziek valt allenig niet op totaal nieuwe oren bij mij, dat is het laatste dat ik ervan zeggen zal en nu zeg ik nooit meer iets over het verschil tussen nieuw en mooi.

Want Philos gaat gewoon verder natuurlijk, als alles altijd.

Maar dan roept mijn zoon me, zijn slaap vol boze dromen en ik zit een wijle naast zijn bed op de kamervloer en ik mompel en ik sus en ik zing en ik zit daar een wijle en de avond gaat verder. Als alles altijd. En als ik weer beneden kom heeft Philos allang gedaan met te klinken zoals het klonk (hoe klonk het? ik was even de kamer uit) & zijn de meeste lichten uit. En ik ben een malenk beetje triestig nu, en zit, in halfdonker nee in slagduister. En ik weet niet of ik goesting heb Philos nog eens te laten klinken, ik weet niet waar ik überhaupt nog goesting in heb nu behalve een drankje misschien ja een biertje, een belg, zoon heel zware belg, daarin wel ja, dat zou er nu wel in gaan. En het gaat erin, en meer nog ook, en ik zit in slagduister en behalve een malenk beetje triest ben ik ook een malenk beetje dronken nu. En hee goed idee ik besluit iemand te bellen die ik al heel lang niet meer gesproken heb. Hee goed idee midden in de nacht, malenk beetje triest malenk beetje dronken ja goed idee, dat.

En ze zegt

Je stem klinkt zwaarder

En ze zegt

De intimiteit is uit je stem

En ze zegt

Je klinkt als een vader nu

Want onze levens gingen verder. Als alles altijd. En zelfs de nacht is nu al een verrot eindje op streek en ik ga naar bed, triestige vader zonder intimiteit in zijn zware dronken stem. En de volgende dag zijn het de kinderen. En de dag daarna ook. En daarna. Tot het wat anders is. En de dagen gaan verder, als alles altijd, en het is bijkans een week later als ik Philos een twede draai kan geven en heel die zever over mensen (buurmannen enzo) die niet snappen dat iets niet als totaal nieuw ervaren nog niet betekent dat je er geen schoonheid meer in kunt ontwaren interesseert me inmiddels al geen ene lor meer en het zijn mijn eigen oren nu, waarmee ik Philos luister. Niet de oren van anderen.

En daar is Arrival weer. En de dreiging. En de pregnansie. En ook: de rust. En ook: de warmte. En minimaal. En ook rijk. En hoe het overal is. En hoe het gans mijn kamer vult. En ik zwem in de mjoeziek. En ik drijf op de mjoeziek. En ik zweef op de mjoeziek. En god wat is dit mooi. God wat is dit mooi. En verklaar je me voor gek als ik je vertel dat ik een lichte tot halfzware Huntsville-assoosjasie had?

(o Huntsville! hun Eco, Arches & Eras! waarom heeft niet de hele wereld die prachtplaat in de kast?)

En de geprepareerde piano van Ingrid Schmoliner, waarom dobbert die nu in mijn brein? Of.

Of.

Of Daniel Schmidt! O, Daniel Schmidt – zijn In my arms, many flowers; waarom heeft niet de hele wereld dat in de kast staan?

En zo ontvouwt zich een plaat waar ik bij sta. Op een ochtend in een maand. Als er al wat kou in de lucht zit. Als de kinderen alweer in de schoelje varen. Als ik alleen in huis ben, en de mjoeziek zo goed zie als hoor, en voel, en beleef. De transformasies die het ondergaat waar ik bij sta. Hoe het omniprezent kan zijn in de één. Of in het volgende: meer melankolie in de miks. Meer verstilling. Meer stilstand. Dan geen zwemmen geen drijven geen zweven meer. Maar een stastil. Genageld staan. En kijken. En staan. En zien. En voelen. En denken. En vragen. Hoe kan iets zo mooi zijn? Hoe kan iets zo klank zijn en zo al zijn en zo mooi zijn?

En in Easy gesproken woord overheen ademende klanken. En blazers. Mjoeziek een weinig bescheiden, meer in de achtergrond nu; de nadruk lijkt er op de (iets te) politieke tekst te liggen. De spreekstem zingt zichzelve tot instrument, zij het niet perse het interessantste instrument van de plaat. Wanneer Philos zich loskoppelt van tekst; van (direkte) boodschap, reist de mjoeziek vrijelijker. Glijdt over het plafond, of valt neder gelijk een mals regenbuitje gelijk. Halfweg de plaat weet ik niet eens meer waar mijn lichaam ophoudt en de mjoeziek begint. Het engelengezang in When I think of her lokt alle schepen op alle klippen.

Waar.

En dan is het gewoon maar dinsdag ofzo. Ergens zet iemand een hoed op. Ergens koopt iemand een stokbrood. Ergens zegt iemand iets tegen iemand. Ergens denkt iemand niet aan mij. Ergens is het oorlog. Ergens zijn de straten, ergens is een park. Ergens en als alles altijd. Zo ver voorbij. Weet je nog van toen en toen. Het begon te regenen, en jij was er nog. Er viel een druppel regen, en jij was er nog. Als alles altijd.

En de wind en de dag, niets wist deze mjoeziek uit. Zoveel kracht is er ook zonder de slag.

(zoveel slag is er ook zonder de kracht)

Toen ik binnenkwam dacht ik nog F’daag ga ik es lekker Reflections of a sad soul van Nocturnal Depression drajen. Maar. Toen ik binnenkwam was ik nog iemand anders.

Bijpassende Muziek en Informatie