Tagarchief: Tim Donker

Tiny Wine Archer + Geri van Essen Cleaned the Windows

Tiny Wine Archer + Geri van Essen Cleaned the Windows recensie van Tim Donker en informatie over de nieuwe albums.

Tiny Wine Archer + Geri van Essen Cleaned the Windows recensie en informatie

Recensie van: Tim Donker

En is. Is op dag zoveel of zoveel dat ik niet geschreven heb, ik weet het niet, al te lang niet meer geschreven, is het dat ik zit en dat ik denk, dat ik zit en over schrijven denk. Hoe het schrijven me duidelijk was vroeger toen ik kind was. Toen was schrijven een activiteit. Een hobby, had ik kunnen zeggen als ik niet sterk het vermoeden heb dat ik dat woord als kind al haatte. In ieder geval kon ik op zeker moment het besluit nemen dat te gaan doen: schrijven. Op mijn vaders schrijfmachine, want dat was leuk. Die groene, die Remington. Met die zwarte stofkap. Eigenlijk moest ik dat vragen. Mag ik op de typemachine pappa, moest ik vragen. Maar pappa was niet thuis, of pappa was in de garage, of pappa was in de tuin iets onduidelijks aan het doen en ik pakte gewoon. Veel vaker wel dan niet pakte ik gewoon. Liep ik naar de werkkamer van mijn vader, pakte ik van het bureau de Remington, die groene, die met zwarte stofkap, en liep ermee naar de huiskamer. Dan ging ik zitten, dan ging ik schrijven. Want schrijven, dat was iets om te doen. Zo was het vroeger, thuis, in Stiphout, met de groene Remington van mijn vader. Ik geloof niet dat het nu nog zo is.

(een Sperry Remington was het geloof ik eigenlijk)

Nu is schrijven geen activiteit meer. Het is eerder een hoedanigheid. Iets dat me overkomt. Niet schrijven. Maar geschreven worden. Zoiets. Bezocht worden door iets (noem het asjeblieft geen inspiratie) dat de spieren aan het werk zet (noem het asjeblieft geen transpiratie). En is, op dag zoveel of zoveel dat ik niet  geschreven heb, dat ik voel. Dat ik denk. Dat ik bezocht zou kunnen worden. Dat rusteloze. Het bloed dat sneller stroomt. De gedachten die harder zijn gaan wajen. De ogen die kijken. Zoeken. Dwalen. Langs ruiten, langs kasten, over het plafond heen als het moet. In de hoek verstrengelt mijn blik zich met het punt waar de dag de avond raakt als het nacht wordt (dit is dan zo’n zin Femke). Op de vloer haakt het zich achter een kruimel. Tot eindelijk. Daar. Op secretaire. Mijn blik. Blijft plakken. Aan twee cd’s. Van dat label, weetjewel. Tiny Rooms, weetjewel. Uit Bilthoven, weetjewel.

(dat komt hier binnen, dat komt hier door bus heen (gezegend zij de possboje), dat vind ik op mat, dat vind ik voor voordeur (of achter als ik van voor kom), dan denk ik aah, dan denk ik koffie, dan denk ik even aan hem, denk ik aan Stefan, dan vraag ik me af hoe het is om daar te wonen, in Bilthoven, met twee kinderen, een belachelijk getalenteerde vrouw en dat kleinstkamertje, dat kleine kleinstkamertje waaruit af en toe de allermooiste plaatjes gefladderd komen)

Tiny Wine Archer recensie

Want ja, dat vergat ik nog te vertellen. Dat is ook zoiets. Tegenwoordig moet het schrijven altijd maar schrijven over iets zijn. Niet het schrijven uit niks, het schrijven dat iets laat ontstaan dat er eerst niet was. Een poëem, niet minder. Of een kortverhaal. Een roman, want dat ging ook zijn. Neen. Het schrijven is een louter parasitair schrijven geworden; een schrijven dat niet kan zijn als er niet al iets was. Het moet een boek, het moet een cd, het moet iets hebben dat het tot gastheer is, vooraleer het zich vastbijten kan, vooraleer het zich volzuigen en aldus groejen kan. Dit keer zullen het cd’s zijn denk ik.

Kwam uit op kleinstkamertje: het Archer e.p. van Tiny Wine, en Cleaned the Windows van Geri van Essen. Kwam uit, kwam doorheen mijn bus op een dag, op zomaar een dag, ik geloof dat het weer mooi heten mocht die dag maar ik weet het niet zeker. Maar platen. Platen waar ik zin in had. Owja.

En luisteren deed ik de platen niet lang nadat ze doorheen mijn brievenbus waren komen zwalpen. Dat is dus, voor uw begrip, niet de dag dat ik zat en al lang niet geschreven had en mijn blik uit zwerven stuurde. Dat was later. Het zitten, het niet schrijven, de zwervende blik. Dat was veel later. Toen had ik de plaatjes allang beluisterend. Het luisteren ging voor, ging ver voor dat zitten dat niet schrijven en dat zwerven. Zeg ik voor uw begrip.

Het luisteren kan ik nog nagaan, min of meer, dat moet ergens in april zijn geweest. Nieuwe plaatjes luisteren waar ik zin in had, op een dag, vroegvoorjaarlijk, alleen thuis, de kinderen naar school, de vrouw uit werken, zo helemaal alleen thuis met plaatjes waar ik zin in had. Het meeste zin had ik in Geri van Essen, dus die legde ik het eerst op de steerjoo. Soms wil ik dat opbouwen. Dat waarvan niet veel verwacht wordt laten volgen door dat wat waarschijnlijk mooi, o zo mooi ging zijn. Maar nu mochten mijn hoge hopen als eerst gaan.

(maar je weet toch wel beter eigenlijk)

(je weet toch wel dat je niet verwachten moet, steve westfield had het f’dorie nog zo gezeid: expect the worst and everything will be fine, zei hij, wist hij & wist je zelf f’dorie ook toch wel) (want je weet hoe diep hoge hopen storten kunnen) (ben jij nou achtenveertig) (zegt iemand ik word volgende maand veertig, zei ik ik ben vorige maand achtenveertig geworden) (in de demio was ik veertig) (denk ik) (in de demio was ik veertig denk ik en we zaten daar, op de achterbank, we stonden geparkeerd op ergens een bospad, we praatten op gedempte toon, we aten mandarijnen, we dronken slappe koffie, het is me of er een muziekje klonk vanuit de autosteerjoo, the angels of light ofzo, of misschien mirel wagner, waarschijnlijk was er geen muziek want dat slorpt de accu leeg, als toen die keer toen we opzoeken moesten naar startkabels en we bij elk huis aanbelden of was dat later?, was de keer met de startkabels na de keer op het bospaadje, waren we misschien nog onbedacht genoeg om een muziekje op te hebben gezet?, een vent op een tractor gebaarde geïrriteerd dat we weg moesten gaan, het leek alsof hij een lastige vlieg verjoeg, we gingen, we reden, auto in de achteruit & we gingen, we snelden, we gingen heen, we reden zo maar wat rond, we parkeerden nergens meer of we parkeerden overal een tijdje, we praatten, we aten mandarijnen, misschien was er muziek, misschien niet, het was mooi en ik dacht toen dat het alleen nog maar mojer ging worden, hoe kun je zulke dingen denken, zelfs op je veertigste nog) (kun je niet lezen) (kun je de tekens niet lezen) (waren er tekens dan) (er zijn altijd tekens) (je moest de tekens lezen) (telkens tekens lezen) (je zou in andere plaatsen zijn als je telkens tekens gelezen had) (je weet toch wel dat je nooit iets moet verwachten van plaatjes, je weet toch wel dat je niet vol tintelingen naar de steerjoo moet gaan) (de steerjoo is hard, de steerjoo laat het horen als het is & niet als je het wil) (je had de tekens beter moeten lezen) (zoals toen in die auto, ze zal wel iets gezegd hebben, ze zei altijd dingen, ze zei het is de bank maar & dat “maar” stoorde je mateloos, waarom luisterde je niet beter,  je had beter moeten luisteren) (je had moeten weten dat het niet mojer ging worden want dingen worden nooit mojer dingen worden altijd alleen maar lelijker) (ik had dat éénvel beter moeten lezen) (maar ik las) (ik las opvolger van american moody folk blues en gospel album A New Hiding Place en dat the ten new songs more soulful zouden zijn en gerijpt waren in een even deeper melancholy) (dat las ik) (las ik en dacht ik) (wow dacht ik) (tradiesjonele folk, las ik, geïnjecteerd met soul en slowcore) (las ik) (dacht ik) (wow) (associaties als divers als Portishead las ik en Samp Dogg las ik en Portishead las ik) (swamp dogg zei see toen in mijn achtertuin ik hoor niks geen swamp dogg zij see toen in mijn achtertuin) (maar waar ik welbewust overheen las) (zoals ik welbewust doof was die keer nee alle keren in de demio) (waar ik welbewust overheen las was een associatie als Camera Obscura) (u weet wel dat veel te lichtvoetige bandje dat onderpresteerders opriep om wat beter hun best te doen) (waar ik welbewust overheen las was een term als jangle pop) (waar ik welbewust overheen las) (ik had over homerecorded sessions gelezen en gedacht er zijn geen betere sessions dat home recorded sessions) (maar waar ik welbewust overheen had gelezen was dat de homerecorded sessions opgepoetst waren) (er is geen vreselijkere muziek dan opgepoetste muziek)

Wel. Ik wist toch. Ik ging naar steerjoo. Geri van Essen als eerst. Dat ging goed zijn. Misschien die hoes ofzo. Misschien dat ze dat kopje thee dronk binnenin, in de allereenvoudigste keuken die je ooit zag. Misschien die flarden die ik oppikte uit de éénvel, misschien omdat ik andere flarden bewust niet gelezen had. Misschien die titel, die ik nog wel aardig vond; zo’n onglamoureus leven, als even onglamoureus als dat onglamoureuze kopje thee in die onglamoureuze keuken, sprekend van een het allerdagdagelijkste leven. Wat heb je vandaag gedaan? Ik heb de ramen gezeemd. Dat is uw leven nu. Dat is het leven na de demio, dat is iedereens leven na iedereens demio, als er geen demio meer overschiet dan is de ramen zemen vermeldenswaard (godverdomme die bank) (godverdomme hoe kan een vrouw hoe kan een mens hoe kan iemand ter wereld zo mooi zijn dat bestaat toch gewoon niet). Of misschien dacht ik dat helemaal niet. Misschien dacht ik niks. Misschien wilde ik alleen maar dat dit mooi ging zijn, omdat ik moje muziek wilde, omdat er na de demio alleen nog maar ramen te zemen zijn. Ik zeem mijn ramen nooit.

Geri van Essen, omdat ik daar het meeste van verwachtte en ik hoor een zangeres die zingt zoals folkzangeressen in de jaren zestig zongen. Ik hoor een synthersizer zoals je die bij Oldfield kon horen, of bij Steve Winwood. Ik vind het aardig ik vind het niet slecht het doet me denken aan de muziek die mijn vader vroeger draaide op zondagochtend. Dan maakte hij het ontbijt. Dan bakte hij croissants, dan perste hij sinaasappels uit, dan kookte hij eieren, dan dekte hij de tafel met het zondagse servies. Dan draaide hij Geri van Essen nee niet Geri van Essen natuurlijk, maar heel even, dat eerste liedje, Two strangers, had het gekund. Maar later, ik had de tekens beter moeten lezen.

Later zakt mijn aandacht weg. Het is allemaal te schoon (niet alleen de ramen werden gezeemd hier), te braaf, er gebeurt te weinig of misschien gebeurt er wel teveel. Teveel instrumenten; 23/32 is best heel aardig tot een bejaardenorkestje een soort walsje inzet. Die geaffecteerde zang die ik al bij net iets teveel folkzangeressen hoorde (waarom moeten folkzangeressen eigenlijk altijd zo zingen?). De melankolie die een gepolijste melankolie is zodat niemand zich er nog aan snijen kan.

En veel Portishead hoor ik ook al  niet. Flardjens Stereolab soms misschien hier en daar, Stereolab op heur loungiest (lees Stereolab op heur slechtst) ja soms maar hee: jangle pop; met Stereolab-voorloper McCarthy ben je d’r al bijna.

(ik sta aan de kant van de mensen net zo veel als de volgende gast)

Plaatbreed weet het vaak genoeg mijn aandacht weer terug te winnen. Maar het zijn telkens maar korte momenten want in bijna elk liedje zit wel iets dat het voor mij kapot maakt. Dat kan iets kleins zijn; A New June was bijvoorbeeld een prachtig liedje geweest zonder die vreselijke achtergrondvokalen. En komt In the Morning, alleen stem en akoestiese gitaar, o god zo mooi, o god jongens hou dit asjeblieft heel o dat wrak klinkende & spaarzaam ingezette pianootje dat kan nog, een paar toetsen maar, ja dit is mooi, dit is heel mooi, zo mooi kan eenvoud zijn.

Blijft over.

In het begin was er de verrassing. Het jaren zestig folkgeluid gecombineerd met de synths van ruim een decennium later, voornamelijk te vinden in muziekzjanrûhs die nog bitter weinig uitstaans hadden met folk. Klanken uit verschillende verledens, en het werkte.

Bijna aan het eind is er in de vorm van In the Morning schoonheid. Puur. Onvervalst. Onversneden. Onopgepoetst.

De rest is luistermuziek om niet echt naar te luisteren. Muziek voor in de badkamer. Het is november & je komt thuis & je bent nat & je bent koud & je gaat in bad liggen & je neemt een roodwijn mee, een roodwijn neem je mee, een boek, en deze plaat. Je gaat met de demio op weekendje ergens in het oosten (was het niet nabij Assen?) (hoe heette die eigenaar van die bed & ontbijt ookalweer?), je eet kaasjes, je deelt je laatste Orval, je praat, ergens in de hintergrund deze plaat & dan is het mooi. Twee keer is deze plaat op volle aandacht mooi. De rest van de tijd is de plaat mojer als je er niet te nauw naar luistert. Ik ben zoveel schoner met uw ogen toe, zong dingens, zong wie was het weer.

Luisteren met de ogen toe, deej Chri Milton dat toen hij een kindeken waart. Zegt de bio: Toen Chri Milton een kindeken waart, speelde zijn moeder kassetjes voor hem op een kleine schoenendoos kassettespeler / -opnemer. (ik dacht aan die scene met die dictafoon in De Koning) (De Koning van Szczepan Twardoch) (helemaal opput eind weetjewel, met Peet dood en onder de stront achter in de auto) (en later, in dat vliegtuig) (en de stem van Peet door die oude primitieve dictafoon) (daar dacht ik aan) (heb jij dat eigenlijk wel gelezen, Femke?) (maar Chri Milton natuurlijk) (Chri Milton natuurlijk). Chri Milton groeide op (zegt nog steeds de bio) met het stoffige geluid van kassetjes, en langzaamaan groeide er liefde in hem, groeide er liefde in hem voor het lofi geluid van artisten als Daniel Johnston en Smog en Guided By Voices en dan neem ik aan de Smog van toen Callahan nog spreken kon en spreken wist en niet die derderangs lamlul die hij geworden is vanaf Knock Knock (of eigenlijk al eerder, zeg nu zelf, hoeveel deugt er nu heeltemaal aan The Doctor Came At Dawn of Red Apple Falls?) (en zelfs Wild Love heeft nog zo zijn limitasies). Maar hoe ook, ik zeg STOFFIG ja, dat is het woord. Dus niet stofzuigen niet stoffen niet oppoetsen niet je ramen wassen het is schoner als het vuil is. Wel. Ja. Wel en ja, dat heeft deze kleinstwijn goed begrepen alvast. Niks oppoetsen die thuisopnames, wie gaat er nu gode ver doem mij ook thuisopnames oppoetsen? Heel de charme van thuisopnames is juist dat ze NIET opgepoetst zijn. Thuisopnames oppoetsen is net zoiets als een warm bad lauw laten worden vooraleer je er in gaat zitten.

Zoutige luidsprekers.

Kleinstwijn ik zei?

Zoutige luidsprekers.

Chri Milton dus, een naam is een daad, vond, enkele dekaden later, een gelijkgestemde ziel (en god ik huil alleen al bij de gedachte dat een persoon een gelijkgestemde ziel vindt, al is het maar dekaden later) in Vertro Ubreti, een naam is een daad, en the twee speelden tesaam in de postpunk band Greed Island, een naam is een daad, en wilden later een lofi geluid verder uitdiepen met het projekt Tiny Wine. Een klein wijntje op kleinstkamertje, hoe intiem wil je het hebben? Een eepeetje, want klein moet het zijn, op vinyl en kassette, want een a-zijde en een b-zijde moet het hebben. En krakelen moet het (krakuhlun, niet krakeelun), en ruisen, imprefektie moet er zijn. Teruggrijpen als het doet op het ouderwetserige lofi geluid van, laat ons zeggen, de vroege jaren negentig tot, laat ons zeggen, ergens net iets overheen de twede helft van diezelfde jaren negentig.

(ik had in die dagen nog niet zo heel erg lang een seedeespeler & ik herinner me een bezoeker in mijn deprimerende studentenflat die klaagde nee kloeg nee boos werd zelfs om zo’n seedee, ik weet niet meer welke seedee maar het geluid was nogal lofi ja & lekker wrak, het kraakte en het piepte in zijn voegen en de ruis was om te snijden. dan hebben we eindelijk seedee, zei die bezoeker nijdig, dan gaan ze bandruis nabootsen. ik zweeg. ik keek en zweeg. ik vroeg de bezoeker niet om weg te gaan)

(later is die gast nog cabaretier geworden echtwaar)

(kabuhruhtjee, je zou om minder)

De eenvoud. Ja. Want het leven was simpel in die dagen he. We studeerden maar we gingen nooit naar kolleezje. We hadden gebroken harten. We dronken veel, we aten onregelmatig. We waren miserabel en zielsverrukt. Die eenvoud, en die melankolie ook. I’m nothing but you’re something to me zingt die tiep. En toch klinkt het licht en vrolijk en onbekommerd. Wiegelend en waggelend en troostend. Zwalpende guitaartjes, zoemende synths. Het is maar een kwartiertje, nee het is nog niet eens een kwartiertje, dertien minuut drieënveertig en dan al gedaan; zo verloopt het althans op mijn cdr; de plaat had je nog halverwege moeten keren (keer halverwege).

En is. Dwaalt. Op de zoveelste dag niet geschreven. De ongeschreven dag. Een heel klein wijntje met een heel klein eepeetje. Ow. Het heeft zeer zeker iets geforceerd (wie zei daar iets over ongedwongen gesprekken?) (wie zei daar iets over konijnenvoer?) (wie zei daar iets over een bank?): het lofi geluid meer “gezocht” dan noodwendig. Maar ah, dat was in de jaren negentig al gaande (welke artist was het weer die zijn lofi sticker niet wilde, zeurende dat hij juist heel goede en dure opnameapparatuur gebruikte?). Na de opgepoetstheid van de gewassen ramen maakt Archer de kracht van de imperfectie duidelijk: Cleaned the Windows is; Archer wordt.

Geri van Essen Cleaned the Windows Recensie

Ik dacht aan Levinas. Ja. Ik dacht aan Levinas. Er zijn ook dagen waarop ik niet aan Levinas denk maar nu dacht ik aan Levinas. Ik dacht aan zijn gedachten. Ik dacht aan zijn gedachten over het gelaat.

Het gelaat van de ander of de andere ander. Autre. Autrui. l’Etat et moi. (Mein Vorgehen In 4, 5 Sätzen). Ich – wie es wirklich war. Wie es eigentlich gewesen ist. De dingen. Het gelaat. Het gelaat na vier of vijf kleine wijntjes (maandagavond was het een chianti) (i ate his liver with a nice chianti). Het gelaat van deze of van die andere ander. Als het het gelaat was van die vrouw op de bank zou ik beter kijken. Als dit Ierland was zou ik beter kijken. Als ik in de Demio zat zou ik dieper luisteren. Hoe het gelaat van de ander oproept tot een werkelijke ethiek (wie was het weer die zei dat mondkapjes en de anderhalve meter samenleving ethiek in die zin wegvagen en oh! dat was de nagel op de kop) (het goede doen) (de ander) (niet de prik voor de gelaatloze ander die daar minder goed tegen kan) (laat degeen die daar minder goed tegen kan zelve prikken gaan ja) (een werkelijke ethiek is niet voorgeschreven). Wel. Ik dacht daaraan & ik dacht dat hoewel het gelaat van Geri van Essen zichtbaar is op de seedee haar mjoeziek in zeker zin veel gelaatlozer is dan de mjoeziek van Tiny Wine (terwijl de gelaten van Chri Milton en Vertro Ubreti weer minder duidelijk zichtbaar zijn op de hoes – ik neem tenminste aan dat zij dat zijn op die fotootjes maar misschien zijn het wel heel andere gasten, vrienden misschien famielje misschien of zomaar gasten misschien). De mjoeziek draagt gelaat omdat de mjoeziek wordt en de mjoeziek wordt omdat het rammelt en ruist en suist. Ze schoonden niet op en zo was het goed. Ze weigerden een prik en zo was het goed. Ze gingen dood van ellende en ze leefden en zo was het goed. Lijkt me ook geen mannen die thee drinken. Zo is dat goed.

Recensie van Tim Donker

Bijpassende muziek en informatie

Tiny Room Records nieuwe platen

Tiny Room Records nieuwe platen albums LP’s, 12″vinyl en CD’s. Welke nieuwe albums en andere platen heeft het Nederlandse platenlabel recent uitgebracht. Recensie van nieuwe Tiny Room Records platen door Tim Donker.

Tiny Room Records nieuwe platen LP’s, 12″vinyl en CD’s

Tim Donker heeft voor MuzikaleOntdekkingen.nl een drietal nieuwe platen en albums van Tiny Room Records beluisterd en besproken.

Recensie nieuwe platen van Tiny Room Records

Tim Donker

En dan, een dag, Kleinstkamertje. Is klein, is kamertje, is mjoeziek, is hoezee. Tiny Room Records. Dat zit in Bilthoven, u weet. Is bilt is hoven is daar. Mijn opa en oma woonden daar. Sluit ik mijn ogen, zie ik mij ook vandaag nog Bilthoven binnenrijden. Samen met mijn vader, want de laatste jaren waren het meestal alleen nog maar mijn vader en ik die naar daar gingen. Want mijn zussen waren puber en mijn moeder had geen zin en mijn vader wilde niet alleen gaan en dan liet ik mij overhalen. Dan nam ik plaats op de passazjierstoel en dan gingen we. Helemaal vanuit dat Helmond waar we woonden in die dagen naar het verre Bilthoven. Onderweg langs kanaal en spoor en snelweg tot we binnenreden die stad. Bilthoven. Dan zagen we mensen en stoplichten en huizen en bomen. Het licht viel anders in Bilthoven, dat viel me telkenmale weer op. Dat het licht daar anders viel.

Combo Quazam Flight Music.

Nu zijn mijn opa en oma reeds lang onder de grond, maar Tiny Room Records is nog wel daar. In Bilthoven. Kleinstkamertje, zeg ik graag. Een klein kamertje en muziek. Dat kan alleen maar moois opleveren. En dat doet het ook. Geregeld komt er al iets vanuit kleinstkamertje regelrecht doorheen mijn brievenbus. Vaker dan me lief is valt zo’n cd dan tussen mijn recenseertafel en de muur om pas na verloop van maanden weer door mij gevonden te worden, onder het stof inmiddels maar niet minder mooi daar om. Zo gaat de weg der cd’s soms. Zo gaat het pad van de recensent soms. Het leven is datgene dat je overkwam toen je druk bezig was andere plannen te maken immers. Ik was voor de school. Ik wachtte op mijn kinderen. Ik was op mijn werk. Ik was in de speeltuin. Ik las mijn zoon voor. Ik maakte een kleuterschoolwerkje met mijn dochter. Ik zat in bad. Ik stond in de tuin overheen de heg een eind de ruimte in te plauderen met Sergio. Ik was in de winkel. Ik stond me te scheren. Ik was aan het koken. Ik was overal, maar niet aan mijn recenseertafel. Ik weet niet hoe dat gaat. Misschien heeft Gode er toch onjuist aan gedaan om een dag maar vierentwintig uur mee te geven.

Ik dacht, ik zal beter opletten. Ik leg dat daar neer, dacht ik.

En dan luisteren. En dan schrijven.

Luisteren. Luisteren naar Combo Qazam bijvoorbeeld. Weeral maanden later. Weeral maanden later luisteren naar Flight Music. Van Combo Qazam. Dat kwam uit op de dag dat ik 47 werd. En nu is het maanden later, nu is het eindejaars, nu is het december, nu zit ik, nu luister ik. Naar Flight Music. Eigenlijk een 12” vinyllen ding, maar ik kreeg het op cdr. Ik zit. Ik luister. Ik hoor. Postpunk, voornamelijk. En mathrock. Ja. De bio zegt dat het voer is voor fans van Wire, Battles, Tortoise, Beak>, Mazes, Pinback, Neu!, Can en Devo. En ik zit en ik luister en ik denk tsja. Beak> en Mazes ken ik niet en met Can en Neu! heeft dit, althans volgens mijn oren, die oren aan die kop van mij, niet zo veel te maken. Wire en Battles. Ja. Hoor ik. Devo ook een beetje inderdaad. Rumah Sakit, verdomd, hoor ik ook. Een beetje UI misschien. Maakt alles smaakvoller. (maar dan de latere UI toen de ui al bijna over datum was en de funky sexyness niet meer zo evident was). Ik hoor monotonie en herhaling. Ik hoor afgepaste en aangescherpte melodieën. Hoekig. Het angstaanjagende van de vroege postpunk, toen het werkelijk nog post punk was: dat wat direkt na punk kwam en dat nog direkter uitzichtloosheid voelen liet. Maar bij vlagen verliest het zijn zwaarte. Valt er licht doorheen het mechanische. Dan is het alsof de zon door je raam komt op een zwaarbewolkte dag. Dan is het warm en troostend. Vroeg of laat komt de dreiging weer terug, dat weet je. Een fantasties liedje als San Remi is je alles waard. Maar dan die zang die me laat denken dat ik niet weet wat ik denken moet. Vreemde, verwarrende muziek is dit. Het zuigt me naar binnen. Het hypnotiseert me. Het houdt me vast. Het slingert me heen en weer. Het drukt mijn kop in de modder. Het legt me te drogen in de zon. Het geeft. Het neemt. Aan het einde heb ik het niet onprettig gevonden.

LogOut

Is wat. Is dat. Is kleinstkamertje. Kleinstkamertje ook: is LogOut. De plaat heet E∆Ω/EKEI. Ook een 12”, dit. Altmodies als ik ben, heb ik eeuwige trouw gezworen aan mijn cd-speler dus ook ditmaal hoor ik het aan op cdr. Die LogOut gasten, dat zijn dan zeker Grieken ofzo. Hoewel ik stuitte op een andere plaat van LogOut en die heette gewoon Paper Plane Flight Recorder. Dat was folk, althans wel gedurende de drie minuten dat ik naar Paper Plane Flight Recorder luisterde. Een soort van oerfolk, de folk die folk was voor er neo- of freak- of dark- aan toegevoegd werd. Een zonnig soort folk, een hippie-achtig soort folk, een naïef soort van folk; vrij van cynisme en somberte. Dat de jaren nog de jaren zestiger waren, en dat het okee was om een bloemenkrans op je kop te hebben (una corona de flores – moet je nu eens mee aankomen!), en liefde te prediken en alle dagen ondraaglijk blij te zijn. Uit dit soort folk is ook E∆Ω / Ekei opgetrokken, maar wel met wat toevoegingen. Er zijn veel meer instrumenten dan in folk gebruikelijk zijn, en er zijn met name niet-akoestische instrumenten! Ge zoudt om minder uit de folkbond geschopt worden! (hoor ik daar een synth?! hoor ik daar een drumcomputer?!!) Je zou dit dreampop kunnen noemen, sommige mensen doen dat. Dreampop is vaak akelig kleverig, en dat is helaas ook de zwakte van E∆Ω / Ekei. Deze plaat is lief. God wat is deze plaat lief. Zo zoet en zonnig. Zo licht en zo niks aan de hand. Misschien is het mijn afwijking dat ik mijn mjoeziek gaarne een tint duisterder heb, en minstens zestig tinten duisterder dan dit. Een aarzelend lofi-miniatuurtje als Kuματα of het slaperige Γκρι kan ik nog wel hartvoelend mooi vinden, maar de ondraaglijke lichtheid van het gros van deze plaat werkt me toch een beetje op mijn zenuwen. Die zang, die mierzoete zang! Niet iedereen hoeft de longen uit zijn lijf te rochelen & niet alles hoeft death metal te zijn maar als ik na een plaat de onbedwingbare behoefte heb mijn tanden te gaan poetsen is er toch ook iets mis. Geen plaat voor “close listening” of “deep listening”, wel een hele fijne plaat om op te hebben als je samen met je vijfjarige dochter en je zevenjarige zoon de afwas doet of kookt of de boekenkast afstoft. En zeg nu zelf: sinds Rutte begin oktober Nederland officieel transformeerde in een dictatuur (of minstens een totaal fascistoïde “post-democratie”) met de doodenge formule “wees niet die eigenwijze Nederlander” (lees: vanaf heden is het u verboden anders te denken dan uw minister-president), is het toch fijn de onbekommerde blijheid nabij uw platenspeler te hebben.

Moonchy & Tobias III

Is ook. Is kleinstkamertje, is ook hippie en love and peace and happiness een bloempje in het haar doe net alsof je gek bent en hou toch van elkaar. Is fijn. Is omdat kan. Mijn dochter houdt van een poster van een kat met een paarse bloemenkrans op zijn kop (ja ik zeg zijn want niet alle katten zijn vrouwtjes hoor dus u hoeft niet altijd met haar en ze naar een kat te verwijzen) (als het aan de kat lag kocht ze whiskas). Is fijn. De getoonzette kat met een paarse bloemenkrans op zijn kopje. O wat zijn wij heden blij. Maar niet alle dagen, en daarom vond ik III van Moonchy en Tobias nog een slagje mojer dan ik m gevonden had als ik niet eerst naar E∆Ω / Ekei had geluisterd. Tobias, dat is Todd Tobias. Van cd’s als Impossible cities (geïnspireerd op een boek van Italo Calvino & er zijn heel wat mindere schrijvers waardoor je je kunt laten inspireren) en Gila Man en van een of andere samenwerking met zo’n Guided By Voices-gast (hier begon ik in te dommelen want Guided By Voices zou zeker in mijn top tien van meest overschatte bands allertijden komen, zeg het niet tegen Stefan want ik mag die man en ik zou niet willen dat hij boos op mij werd). Moonchy is Pat Moonchy en daar had ik eerlijk gezegd nog nooit van gehoord. De cd-titel doet vermoeden dat de twee al eerder samenwerkten maar ook dat is mij eventjes ontgaan. Maar wat je niet kent, kan je nog verrassen en III laat dat dan ook niet na.

De eerste sekonden van opener Dubium (oja, heel deze plaat is in het Latijn, had ik dat nog niet gezegd?) deden nog licht Floydiaans aan, maar dat was gelukkig snel voorbij. Gelukkig ik zeg, niet omdat Pink Floyd slecht zou zijn (in mijn twintigs was ik zelfs nogal “fan” van deze band en nog altijd vind ik een drie- of viertal platen uit hun oeuvre bloeder nog dan bloedmooi) maar eerder omdat Floydiaans klinken beter aan Pink Floyd zelve overgelaten wordt (die hebben na The Final Cut al nooit meer écht Floydiaans weten te klinken) (& nee, The Final Cut is niet één van die drie of vier platen waar ik daarnet op doelde, zó goedkoop ben ik nu ook weer niet).

De paden van Moonchy & Tobias zijn eerder duister dan symfonisch (symfonisch! hoor mij bezig!). Mysterieus, klassiek, darkwave, postrock, ambient, ijl, dromerig, zacht, wiegend, darkfolk, verstilling: het zijn zomaar wat van de sferen die aan mijn oor voorbij trokken in het halve uur dat III duren mag. De eerste keer onvoorbereid. Zat ik daar. Met koptelefoon (want mijn vrouw keek naar een of andere cabaretier op televisie). De stem van Pat Moonchy, die soms iets operaesk had, een Diamanda Galás in herinnering roepende theatraliteit, maar vaker nog fluisterzacht klonk en dan ging het niet meer om Galás maar om kleine kamertjes en port en liefde (deze opsomming klinkt wellicht ranziger dan ik bedoel). Een mens kan zweven op die stem. Ik leg me neder op Pat Moonchy’s stem en ik zweef. Doorheen mijn kamer, het raam uit, de inktzwarte hemel in. Daar, in diepe duisternis, is III sowieso meer op zijn plaats dan hier: tussen de te felle plafondlamp en het houten tafelblad (waarop ik nog wat gesmolten kaas kruimels van het avondeten ontwaar). Eigenlijk zou ik deze cd na het middernachtelijk uur moeten luisteren in een diep en donker woud. Deze cd ís een diep en donker woud na het middernachtelijk uur! III deed me weer beseffen waarom ik zoveel van muziek hou.

En dat is kleinstkamertje, is Tiny, is Rooms. Drie totaal verschillende platen. Het is niet altijd spek voor mijn bek maar ik wil minimaal een keer in de week God op mijn blote knieën bedanken dat Tiny Rooms bestaat.

Bijpassende muziek en informatie

Remy van Kesteren – The Red Turtle Recensie

Remy van Kesteren The Red Turtle recensie van Tim Donker van het nieuwe album, An Alternative Soundtrack to the Motion Picture The Red Turtle.

Remy van Kesteren The Red Turtle Recensie

Recensent: Tim Donker

Ja. De harp. Hou de persen voor de harp. Dat was waar ook, de harp. Op één van mijn postrondes woonde ooit een hele moje vrouw en die speelde harp. Liep ik daar, kwamen er uit ergens een openstaand raam hapklanken naar buiten gedwarreld & dan stond ik even. Stil. Luisterend. Even, heel even. Heel even luisteren, daar, vooraleer ik haar post in de brievenbus deed en verder liep. O. Ja. Dat was waar ook. De harp. Hou de persen voor de harp.

Mijn gevoel bij de harp is op zijn zachtst gezegd ambivalent te noemen. O hoe wonderschoon dat instrument kan zijn weet ik ook wel. Maar té wonderschoon soms. Begrijpuwel. Te hemels, te feeëriek. Dan wordt het kitsch. Schoonheid moet altijd een beetje verborgen zitten. Tussen de wanklanken tevoorschijn komen. Te evidente schoonheid gaat boven de pet & dus boven de oren. Ook: plaatlang wil de harp überhaupt al wel eens vervelen gaan. Meer een instrument om een flard van op te vangen vanuit ergens een openstaand raam op één van je postrondes (gewoon een ommetje maken mag ook). En dan doorlopen, heeldurdag hongerend naar meer. Meer harp. Maar soms is het hongeren naar meer mojer dan het werkelijk meer, en de harp is vaak zo’n soms.

Hoe heette ookalweer dat meisje met die harp? Joanna Newsom, kan dat? Waar is die gebleven eigenlijk? En heeft die ooit meer gemaakt dan die ene cd die ooit –wie weet nog wanneer, wie nam nota, wie schreef het in zijn almanack- de cd was die je gehoord moest hebben, de cd waar niemand nog over zwijgen wilde toen, zelfs niet als je ze daar bij herhaling om vroeg. Iets met Milk in de titel, docht mij, die cd. O dat was fantastisch. Dat meisje die harp die stem. Fantastisch ja. Eén liedje lang. Die harp daar zo bal in de voorgrond, waar je ‘m niet vaak hoorde. Dat intrigerend stemgeluid. Zo hartgrijpend. Eén liedje lang. Bij het twede liedje begon mijn aandacht al uit wandelen gaan en nog voor de plaat zelfs maar halverwege was, was ik ‘m al hartgrondig beu. En tegen het laatste liedje haatte ik alles. De muziek, die stomme harp, dat domme aanstellerige stemmetje. Misschien met tien gastvokalisten. Voor elk liedje één. (stonden er tien liedjes op die cd? ik weet niet meer, willem had ‘m voor me gebrand op een cd’retje, ik heb ‘m ooit in het vuilnisvat geworpen). Misschien met een zee aan andere instrumenten waar die harp zich dan maar bij vlagen bovenuit zong. Hum. Klaarblijkelijk niet echt een fijn solo-instrument, die harp.

Zegt Tom Waits

(maar ja die zegt zoveel. zei hij ook niet ooit dat de realiteit er is voor mensen die drugs niet aankunnen? wat ik wel een goeje vond. niet dat ik drugsgebruik nu zo per se gepropageerd wil zien. maar ik vond het een moje omkering van het eeuwige kliesjee dat aldiegenen die “de realiteit” niet aankunnen “vluchten” in drugs (of alkool, voor die materie). wat is er zo geweldig aan “de realiteit” dat je haar zou moeten “aankunnen”? wanneer heeft het saje, dagdagelijkse, grauwe, al-te-werkelijke toch die niet te betwisten voorrang gekregen boven alles wat het bevattingsvermogen te boven gaat, wat oncategoriseerbaar is, geen naam heeft? de beperkten zijn diegenen die geloven aan slechts één juistheid, één werkelijkheid, één zienswijze, één grond. waar je dan met beide voeten op moet staan. ja. met beidjes je voetjes. niet eens één of alleen je grote teen)

Zegt Tom Waits

(vertrouwensvol zingt, drie keer rond, je ogen fladderen, totdat je iemand anders vindt, daar waar je leeft, elektrieke verbindingen, knallend als een zweep, hoe kan dit werken, hoe pas je hier in, schrijf je eigen bijbel, sla je eigen zelf in elkaar, brand tot je as bent, snij je goede oor af, en breng wat je ziet dichter bij mij, ik zal nooit ook maar een beetje anders voelen)

Zegt Tom Waits

(avond en de gordijnen nog open. avond, en het keukenraam nog open) (middag, en koffie in mijn kop, en Take care to fall van Drekka in mijn cdspeler) (of avond en toen was het Dalmak van Esmerine geloof ik, en cava in mijn glas) (en toen die keer dat Sabine een fles cava had gevonden in haar klerenkast) (sabine sabine ik zag u echt oprecht heel erg graag) (en hef de hemel op)

Goed. Zegt Tom Waits dus dat muziek moet klinken alsof het via het keukenraam van de buren uw huis in gewaaid komt. Of zoiets toch. Zei hij ooit. En daar komt The Red Turtle van Remy. (ja die punt moet geloof ik) mijn huis ingevlogen. Niet via het keukenraam. Maar gewoon door de brievenbus. Niet door de buren. Maar door de postbode (hee vakbroeder!). En ik doe dit niet vaak, mensen, ik doe dit gaat niet vaak, maar almeteens scheurde in de envelop open. Bekeek de plaat. Las de bio. Het moest een alternatieve soundtrack zijn voor de reeds lang verschenen gelijknamige film. En ik dacht oei. Ik heb weinig op, heel erg weinig op met film. En dan die “alternatieve soundtracks”, of die muziekjes voor nooit verschenen films, of filmische muziek als zodanig – ik ken dat allemaal wel. Ik ken dat wel. Ik ken dat veel te goed. En ook las ik dat The Red Turtle een harp-soloalbum is en ik dacht oei. Ik dacht aan Joanna Newsom (heette die nou wel zo eigenlijk?), aan de idee van Waits van mjoeziek door het keukenraam en aan die vrouw van weleer, ooit op een van mijn postrondes. De harp als solo-instrument, dat werkte toch niet?

Remy van Kesteren The Red Turtle Recensie

Ik zou haast zeggen “met gemengde gevoelens” als ik niet zo het land had aan de idee dat het klaarblijkelijk opmerkelijk genoeg is om te vermelden dat niet al je gevoelens dezelfde kant op wijzen – en dus zeg ik maar “met de moed der wanhoop” (het is zoveel  moediger te wanhopen dan te hopen, ommers) legde ik The Red Turtle op.

En.

O.

God.

O God. Genageld. Ik stond. Aan vloer. De pracht. O de alles stoppende alles stilleggende pracht. Die het eerste liedje was. amber. Zo heette dat liedje. Noem het neoklassiek ofzo. Noem het minimaal. Noem het voor mijn part jazz, maar dan wel ene jazz zoals we die van Park Jiha gewoon zijn (o en zoek Remy. gerust ook in die hoek, de hoek der verstilden, de hoek der onklasseerbaren, de hoek der prachtigen). En ge moogt veel meer ook, ge moogt dit van mijn part ook “verstilde folk” noemen ofzo. Dat moogt ge allemaal. Zolang u uw bakkes maar toe doet, zodat ik in alle rust kan luisteren naar The Red Turtle.

Want dit is er één. Een plaat voor de stilte. Een plaat voor het geluid. Een plaat voor de beweging. Een plaat voor het hagen van het onbehagen. Een plaat voor de bladeren. Een plaat voor het openstaande keukenraam. Een plaat voor de roodwijn. Een plaat voor de avond. Een plaat voor de nacht. Een plaat voor de ochtend. Een plaat voor het liggen op je vloer & een plaat voor het zitten op je plafond. Een plaat voor de whisky. Een plaat voor de koffij. Een plaat voor het niet. Een plaat voor het al. Een plaat voor de peins. Een plaat voor de voel. Een plaat voor het trappen. Een plaat voor blijven waar je bent. Een plaat voor de wolken. Een plaat voor de schemerschijn. Een plaat voor de traagte. Een plaat voor de straat als een deken. Een plaat voor het ademen mee. Een plaat voor dronken van mjoeziek. Een plaat voor de randen van je slaap. Een plaat voor mijn vader (toen hij nog leefde, en we in de auto zaten, en we zwijgend reden doorheen de nacht). Een plaat voor mijn moeder (toen ze nog leefde, en we alleen waren, en in de keuken een langzaam maal kookten). Een plaat voor het tasten. Een plaat voor de regen in mijn achtertuin. Een plaat voor Dregke. Een plaat voor t Schrijverken. Een plaat voor langzaamaan vervlochten raken. Een plaat voor het staan. Een plaat voor het genageld staan. Een plaat voor even niks kunnen zeggen even niks kunnen denken, alleen staan. Alleen genageld staan.

Een plaat die moet. Een plaat die spreken moet, ook als hij zwijgen moet. Een plaat die maakt wat alleen in muziek gemaakt kan worden (om te variëren op een gedacht van Paul Neuhuys). Een plaat in het licht, het licht dat doorheen mijn raam valt als het ochtend is en ik voor mijn boekenkast sta en denk o hoe hou ik van dat licht.

En ineens vat ik ‘m, monneer Waits. Die van dat keukenraam, en de mjoeziek van de buren. Dan ging niet over hinderlijke boenkeboenkeboenke die ongewenst uw keukenraam binnendringt. Dat ging over ongrijpbaarheid. Over oningelijstheid. Als de klanken van The Red Turtle die zich bijna oplossen in de omringende lucht om als ragfijne druppeltjes te kondenseren op je gezicht.

Ik denk aan die moje vrouw van weleer, en de harpklanken die zij doorheen heur keukenraam naar mijn oren zond. Dat tijdeloze. Ik heb de harp van Remy. gehoord en ik weet niet of het een flard was of mijn halve leven, want ik was daar waar tijd noch plaats er toe doen. Dus nu de dag me afgrenst, zwijg ik en zet ik punt.

Remy van Kesteren The Red Turtle RecensieInformatie over The Red Turtle

  • Volledige titel: An Alternative Soundtrack to the Motion Picture The Red Turtle
  • Artiest: Remy van Kesteren (Nederland)
  • Label: Snowstar Records
  • Verschenen: 30  oktober 2020
  • Drager: CD / LP 

Bijpassende muziek en informatie

 

Daigo Hanada – Ouka Recensie

Daigo Hanada Ouka Recensie album van Tim Donker. Op deze pagina kun je de recensie en informatie vinden van het nieuwe album van Daigo Hanada de Japanse componist en pianist.

Daigo Hanada Ouka Recensie

Daigo Hanada Ouka Informatie Album

  • Titel: Ouka
  • Artiest: Daigo Hanada (Japan)
  • Soort muziek: Japanse muziek, neoklassiek
  • Label: Moderna Records
  • Uitgebracht: 2019
  • Soort album: EP

Daigo Hanada Ouka Recensie van Tim Donker

dit is hoe de dingen gaan en iemands moeder zegt de dingen gaan toch zoals ze gaan, en ik denk na over de betekenisvolle aanwezigheid van het woordje toch in die zin, denk ik gaan zoals gaan (toch) gaat, dit is de dag en de dag is al een eind op streek en ik heb al veel te veel tijd vermorst met niets (ik lag op de grond te zoeken naar de dop van mijn pen, ik schreef vier of vijf aviertjes vol met aantekeningen en invallen en ideeën en gedachten over een boek waarvan ik al vrij zeker wist dat ik het toch nooit bespreken zou, en later, in het winkelsentrum, stond ik minutenlang de aanschaf van een waterpomptangenset te overwegen of ik stond, weeral: stond (waar het gaan moest zijn) (gaan zoals gaan (toch) gaat) ik voor een aquarium naar wriemelende visjes te kijken en ik zei Siet sonne dit hebbe ick zeer langhe gheweten, dat die groote vissen de cleijne eten, ik zei het alleen iets luider dan ik wilde en een passant commentaarde erop en zo ontspon zich een gesprek met iemand waarmee ik liever nooit een woord gewisseld had), de hoop dat dit de mooiste dag van mijn leven zou blijken te zijn begon al te verflauwen, zelfs van de hoop dat dit een dag was die zijn sporen zou na laten was niet veel meer over, gewoon maar een dag die een dag is en dan voor altijd weg is, weeral een dag zonder sporen, weeral een dag verder van de oorspronkelijke dag, dat was een dag in de herfst, het schemerde al, mijn dochter mijn zoon en ik, en we waren allemaal nog jonger toen, het was nog voor de verjaardag van mijn dochter, het was nog voor mijn verjaardag, het was nog voor de verjaardag van mijn zoon, en dat is hoe het leven gaat (dat is hoe de dingen gaan) (de dingen gaan toch zoals ze gaan) (toch, ja): ook in verstilling gaat nog het gaan (toch), een dag, in de herfst, het was vier uur, het was vijf uur, ik was al bezig met het eten (maar nog wel rustig, nog wel in het besef dat er genoeg tijd was), het was niet die andere dag, de dag na de vorige dag, het was niet de dag dat ik met mijn kop geleund tegen het koele glas van de tuindeur de woorden van Adorno overdacht toen hij gezeid haadt dat de geest en de verbeelding in de cultuurindustrie (in de wat?) het dominante productiemiddel zijn geworden, enfin: de kapitalisering van (&c.), dat niet die dag (want dat was vroeg in de nacht toen iedereen al sliep en er op de achtergrond een seedee van Pan-American klonk, en ik dacht waren de geest en de verbeelding niet altijd al het voornaamste productiemiddel?, en ik dacht was het nu Adorno die niet van jazz hield?, en ik dacht als hij bedoelt dat in de cultuurindustrie (in de wat?) de geest tot materie gemaakt wordt, of dat het pas dán telt wanneer het tot materie gemaakt kan worden, misschien dan, ja dat volg ik wel, we leven in een materiële wereld en ik ben een ma-ma-materiëel meisje, zegt Giorgio Agamben: de moderne democratie verschuift geleidelijkaan in de richting van totalitaire staten in de postdemocratische spektakelmaatschappijen (en niets dan een goeje corona om die man alle gelijk van de wereld te geven), en het was ook niet de dag dat ik alleen was met the infected mass, het was niet die lichtblauwe ochtend toen de koffie me beter smaakte dan ze in weken gedaan had, het was niet, de dag, tot zover het nieuws, het, annie are you okay are you okay annie, denk, ik dacht aan martine, de kantine, dacht aan, zegt Arjen Mulder (wie?): ieder individu is een complex en dynamisch systeem, denk aan, dacht aan, een plaat die ik had als kind de systemen de systemen, steeds opnieuw klonk dat op die plaat de systemen de systemen, het klonk me eng, het klonk me donker, het is vanaf toen dat ik denken begon dat een systeem iets engs was, de systemen de systemen, de dag, reis om de dag in tachtig werelden, wereld is dag, niet de dag dat mijn vijfjarige dochter zo heftig stond te dansen op I’m coming home van The Deviants dat mijn toen nog zesjarige zoon mijn telefoon greep om haar dolle derwisjdans te filmen, filmen is vastleggen, filmen is omkaderen, film is kader, alles is kader, (wie zei dat ook alweer?), (nee: alles is kooi zei die geloof ik), dag is kader, een kader een dag, ook die dag een hele moje dag (zij het misschien niet de allermooiste dag), we waren goeddeels met zijn drieën geweest die dag & een groot deel van de avond ook, ik had mijn zoon en mijn dochter leren skeeleren en nu, nu einde van de middag, en ik, weeral, kokend, mijn dochter dansend, mijn zoon filmend, en altijd muziek, later aten we, en altijd muziek, ik dronk er een spaanse witwijn bij, en het bleef al veel langer licht en de lucht was blauw en schoon en ik bracht ze een ietsje later naar bed dan verantwoord vaderschap passend was geweest, toen, ik alleen, ik zat, ik luisterde naar microwolf dacht ik en ik dacht aan die namiddag in de herfst, ik dacht toen ik dacht daar ik dacht hier, hier komt sjonnie hij zingt oudies goudies hier komt sjonnie hij zingt ik heb een vrouwtje geef mij mijn wandelschoenen even aan wil je, nee ik dacht zitten ik dacht even stil, ik dacht aan pianomuziek, wie was het ook alweer die zo’n hekel had aan Canto Ostinato?, en er een essay over schreef?, ergens op ze innernet?, was dat toen in het, in het, in de tijd van – zo al voorbij – een plotse voorliefde van Jan en ook van Alleman voor pianomuziek of heeft Canto Ostinato nooit mogen deugen bij de muzieksnobs?, (ook ik overwoog mijn Ten Holt-box in het vuilnisvat te werpen toen over het paard getilde jongetjes in De Wereld Draait Door mochten gaan verkondigen dat ze niet dood wilden omdat ze dan nooit meer naar “de” Canto Ostinato konden luisteren), (misschien is het iets), (misschien moet je niet), (misschien moet je er geen taal aan willen geven), (zegt Aristoteles: “taal is er om te kennen te geven wat nuttig is en wat schadelijk”; denk ik: waarom maakt taal zo vaak datgene schadelijk dat eerst nuttig leek?) (in zoverre nut schoonheid is) (in zoverre nut liefde is) (in zoverre nut leven is), (of minder nog: beelden geven aan), hebben televisie en (met name) Hollywood de pure pianomuziek de dolk in de rug gestoken?, van emotionaliteit naar kitsch (ondersteuning bij sentimentalistische scènes e.d.; praatprogramma’s waarin voorheen allicht “moeilijk(er)” geachte pianomuziek tot allemansvriend werd verklaard (zie! zelfs theatrale rotjochies vreten dit!) zodat de ware muzieksnob er van lieverlee zijn neus voor ophalen ging), of is het het rechtstreekse spreken dat bij de cryptologisch ingestelde “serieuze” muziekliefhebber niet door de beugel kan daar er nog altijd iets te ontsleutelen moet overblijven: de weg naar dit gedeelte van de muziek heb ík vrij gemaakt want dat ik dit begrijpen kan is de allergrootste verdienste van mijn musicologische kennis, (beroof de kunstliefhebber niet van zijn puzzelplezier ja), (waar heb je die kop anders voor als je er niet slimmer mee kan lijken dan een ander?), ik dacht aan die dag in de herfst niet de dag in de zomer dat ik alleen thuis was en koffie dronk en naar Stones van Manon-Liu Winter luisterde, ook pianomuziek en ook heel mooi zij het een pakje of wat abstracter al: geprepareerde piano’s, de snaren betast zonder de toetsen te gebruiken, plotse lawaaierupties, dat soort, (hee beroof de kunstliefhebber niet), ver van Hollywood & onrechtstreeks sprekend of misschien wel veel rechtstreekser wie weet, (in abstractie toont zich het ware, niet slechts de afbeelding) (enzo), de tuindeuren open, sommige geluiden kon ik niet thuisbrengen, (kon ik op geen enkele manier aan een piano liëren), & dan weer, af en toe, ver op de achtergrond een lieflijk en bijna bekend melodietje, iets uit een pianostuk van Beethoven misschien?, maar toen was het niet dit toen was het dat, toen was het niet zomer toen was het herfst, toen was het niet Manon-Liu Winter toen was het Daigo Hanada, en het heet Ouka, uitgebracht op het onwerkelijke Moderna Records-label, het eerste liedje heet Two birds en het is fluweelzacht, een bos in de vroege ochtend vlak na een lenteachtig regenbuitje, een ode aan een schuchtere zonsopgang al was het toen later in de middag en het begon al te schemeren, was al donker misschien zelfs, mijn kinderen zaten op de bank en deden een spelletje en ik was met het eten bezig zij het in het besef dat er geen haast bij was, een rustig eerste voorbereidingen treffen, later, liedje twee was bezig, Ouka, ow dat moje weemoedige Ouka, titelliedje, ik liep naar de bank ik liep naar mijn kinderen want ik wilde ze iets laten proeven, en toen, ik bemerkte, toen bemerkte ik toen, ik zag dat mijn zoon tranen in zijn ogen had ik vroeg hem wat er scheelde hij zei, ik moet een beetje huilen van die muziek pappa zei hij, en ik hield hem even vast, en dit is het, dacht ik, dit is dat rechtstreekse spreken dacht ik, de directe verklanking de weemoed, zelfs tejatrale rotjochies vatten dit, dit is hoorbaar voor iedereen die hoort, voelbaar voor iedereen die voelt, niks geen abstracties en niks geen intellectualisme aan, gewoon maar mooi, mogelijkerwijs ook iets waar muzieksnobs hun neus voor ophalen: voor gewoon maar mooi, maar wij, we horen, en wij, we voelen, deze dag, deze middag, deze herfst, slechts muziek en koken en spelen en wij maar enkele liedjes later (liedjes ik zeg, bij gebrek aan een betere term, ik verfoei “tracks” maar meer dan dat nog verfoei ik “songs”; “nummers” is ook al niet best en “composities” veel te bombasties), goed, dus, een paar liedjes later dus, is het weer raak, of mis misschien, het kon bij Rin zijn of bij Follow me to the moon maar weer, weer heel het gezicht nat van de tranen, zegt hij, zegt mijn zoon, zegt mijn toen nog zesjarige zoon Pappa deze muziek mag je nooit meer opzetten waar ik bij ben, dus af dus uit dus einde & iets anders, was het Avrocar die keer was het Za Siódmą Gorą was het Saltland was het Paavo Harju was het Kat Frankie was het Rabih Abou-Khali was het Mgla was het Alexander von Schlippenbach die keer of was het iets anders misschien iets naamloos anders iets vergetens anders in een herfst die winter werd die 2020 werd en toen verloor de hele wereld zijn verstand en nu is het nu, niet meer herfst en 2019 ook niet meer maar Daigo Hanada nog hier mijn dochter niet meer vier mijn zoon niet meer zes en ook ik weer ouder dan ik was maar de muziek nog onaangetast, de muziek nog hier, dat wil zeggen: de receptie van deze muziek werd niet perse ingefluisterd door herfst & vroege duisternis & mijn kinderen & tranen & stilte: ook nu nog, ruim een half jaar later (soms moet de bespreker de muziek testen op zijn duurzaamheid het spijt me) & in de tuin midst de straatgeluiden, de zon in mijn haar en alleen met mijn koffie en mijn gedachten, is dit altijd nog verstild, melankoliek, teder en zacht; minimaal vaak: Hanada heeft niet veel noten nodig om te ontroeren, en rechtstreeks spreken ja, zegt Daigo Hanada: my goal was to bring this record as close to you and your ears as it is to myself. You might hear me breathing or the touch of my fingers on the keys but I hope you enjoy those unexpected little sounds as part of the music en ja zo ook is mijn tuin nu deze muziek is de lucht nu deze muziek zijn de straatgeluiden nu deze muziek is de zon nu deze muziek is mijn koffie nu deze muziek, muziek is tuin, muziek is, ik ontwaar er iets oosters in, niet in de klank maar in hoe dicht het de natuur(lijkheid) naderen weet en ook in de functionaliteit: zoals er raga’s voor elk dagdeel bestaan, zo lijkt, als gezegd, het eerste liedje het eerste licht van de dag te bezingen waar het laatste liedje, Under the starry sky, ook los van de titel een veel avondliijker karakter draagt, en de andere liedjes ergens daartussenin, het leven een dag, maar dan wel een dag buiten, op een open plek in het bos waar het stil is en de muziek gelijk dauwdruppels van de boomblaadjes glijdt: verstilling, schoonheid, pracht, en zo klein: ook dat in het voordeel van Ouka: dat het een eepeetje is: slechts 22 minuten en 44 seconden: alles wat hier mooi aan is zou op volledige seedeelengte (ik denk aan die seedees van 77 minuten en langer) misschien een wat zeurderig karakter zijn gaan dragen (want kleinheid moet niet over kleinheid heen), of misschien gewoon saai of vervelend, of teveel, nu is het er maar eventjes: een lieflijk briesje en dan weer veel te vroeg het einde en dit waren ze: de mooiste 22 minuut 44 seconden van je dag.

Recensie van Tim Donker

Bijpassende muziek en informatie

 

 

Tommaso Mantelli – 9 Useless Tunes

Tommaso Mantelli 9 Useless Tunes recensie en informatie over de nummers op de nieuwe CD.

Tommaso Mantelli 9 Useless Tunes Recensie en Informatie CD

Recensie van Tim Donker

Waarom valt alles altijd tegen? Bijvoorbeeld dat je zit, en dat het stil is, en dat je drinkt en het is dat biertje dat je had meegenomen uit Denenmarken, dat biertje dat je zo lekker leek, dat biertje in die mooie fles, je weet de winkel nog waar je het vond, je weet nog hoe opgetogen je was toen je het vond en dat je dacht die ga ik mee naar huis nemen, die ga ik bewaren, en je nam naar huis, je bewaarde, je bewaarde voor een speciale gelegenheid maar er kwam nooit een speciale gelegenheid, altijd maar de dagen die de dagen zijn & de avonden evenzo en toen, op een nacht in één van de eerste weken dat de hele wereld gek geworden was dacht je dat dit maar die gelegenheid moest zijn, dat je maar moest drinken op een krankzinnige wereld waarin virologen de nieuwe hogepriesters waren en de rivm de dienst uitmaakte en de mens zich welwillend had laten robotiseren, welaan, daar dan, daar drink je op, op het servitude volontaire van La Boétie, en het is stil, en je drinkt, en gans verkeerd is het biertje niet nee maar na ruim anderhalf jaar bewaren en wachten op nooitkomende speciale gelegenheden had je het toch wel een pak of twee specialer gehoopt & waarom valt alles altijd tegen, is wat je denkt.

En je loopt de post te bezorgen in ergens een wijk waar je zelden de post loopt te bezorgen, en het is van dat weer dat eigenlijk geen weer is want het is niet warm en het is niet koud en het regent niet en de zon schijnt niet en het is wat grijzig maar niet echt dreigend en er staat geen wind en je loopt maar en de mensen op straat en je groet en je grijnst en je zegt hier of daar eens wat, vannutzelfde zeg je, of nee inderdaad zeg je, of het mocht iets warmer zijn zeg je, zeg je allemaal, en je loopt, en bij ergens een huis moet je Filosofie Magazine bezorgen. Filosofie Magazine, zie daar nu eens een blad dat je al in geen 27 jaar nog in handen hebt gehad. Vroeger. Ja. Vroeger. In je studentenjaren. Toen las je het veel. Dan ging je dat verdomde studentenkamertje van je eens af, die gore lelijke deprimerende rotflat uit (die goorder lelijker en deprimerender nog was omdat Femke er nooit kwam al kon je haar geen ongelijk geven), dan liep je naar station Overvecht, want in die dagen ging je nog wel eens met de trein want in die dagen hoefde je nog niet gekneveld in de trein te zetten omdat Rutte dat gezeid haadt, in die dagen was er van heel geen Rutte nog sprake, wat een mooie dagen eigenlijk & waarom heb je er niet een beetje meer van genoten?, goed, met de trein ging je, één stationnetje ver, Utrecht Centraal, daar stapte je uit, en in die stationshal daar, waar je toen je weg nog vinden kon (ga er nu eens kijken, zelden iets angstaanjagenders gezien), bij de Bruna, daar verkochten ze dat. Filosofie Magazine. Kocht je elke maand. Ongezien. Met het tijdschrift in een tasje kuierde nog een beetje door de stad, hier en daar boek- en cd-winkels ingaand, want dat bestond toen nog: winkels met boeken, winkels met cd’s. Je liet je ogen zich laven aan boeken en cd’s die je niet kon betalen maar die je graag wilde en die je ooit, als je een bank overvallen had ofzo, kopen zou. En dan. Ging je weer terug. Met de trein. Eén stationnetje ver. Gore lelijke deprimerende rotflat weer in. Met al die domme huisgenoten van je, die je met plezier van het hoogste verdiep zou gooien. Ging je. Dat muffe hol van je in dat je een kamer noemen dierf. Las je. Liggend op bed. Filosofie Magazine. Je stopte ermee toen er eens, rondom kerst docht ge maar een eed kun je daar niet op doen, een “filosofisch bordspel” in het hart van het blad zat, het was, meen je je te herinneren (maar een eed kun je er niet op doen want de hele stapel Filosofie Magazine ging toen regelrecht de papierbak in), een soort filosofisch ganzenbord. Je was al nooit zo’n liefhebber van pogingen om “high brow culture” (vergeef me) een beetje meer “low brow” te maken maar deze infantiliteit grensde aan het ongelooflijke. En nu, bijna dertig jaar later, sta je hier weer eens met een Filosofie Magazine in je hand. Je bekijkt de voorkant. Je bekijkt de voorkant langdurig. Je onderdrukt de neiging om aan te bellen bij het bezorgadres en te vragen of je het blad even uit de verpakking mag halen. Je probeert alles op te slorpen uit die voorkant. Het zou over dwarsdenken moeten gaan. Het denken tegenin. Altijd goed. En iets over het banale kwaad, en hoe Hannah Arendt zich vergist zou hebben. Geheel momenteelderlijk denk je aan Giorgio Agamben, en altijd als je aan Giorgio Agamben denkt, grijns je even. Kort en goed, die avond, achter de computer, bestel je. En het blad komt, en je scheurt open, en je leest (je overweegt even op je bed te gaan lezen, omwille van oude tijden, maar het is vroeg in de nacht en het zou je slapende vrouw misschien storen als je alle lichten aandeed om naast haar te gaan liggen, en te lezen). Op één van de eerste pagina’s een foto van Koreanen (heel erg veel Koreanen) bijeen, enkelen ervan met een mondkapje op en daarbij dan een citaat van Camus: “Ten tijde van een epidemie leren we: er valt meer te bewonderen in de mens dan te verachten”. Hmm. Slecht begin. Ik leer deze tijden veeleer het omgekeerde. De artikelen over het dwarse denken dan maar? Lees je: “Om een filosofisch rebel te zijn, hoef je je niet alternatief te kleden (Nietzsche volgde keurig de mode van zijn tijd)”. Lees je dat nou goed? Gaat dit hier gaan over het uiterlijk van filosofen? Na het filosofisch ganzenbord, een soort filosofisch RTLBoulevard ofzo? En even verderop: “[Z]elfs Jean-Paul Sartre droeg het grootste deel van zijn leven keurig een stropdas”. Lees je dat nou goed? Moet Sartre het summum van de dwarsigheid voorstellen, wiens zelfsheid ons te denken zou moeten geven? Daar. Je keilt het blad in de onderste la van de secretaire. Je weet dat daar nog maar zelden iets uit naar boven komt. Waarom valt alles altijd tegen?

En zomaar een avond en je bestelt een cd en de cd moet van ver komen en het duurt lang, zo lang dat je vergeet wat dat nu ook alweer was voor cd, en als die eindelijk komt doe je iets wat je zelden doet: meteen in de cd-speler proppen (zo’n cd moet eigenlijk een beetje voorkameren, die moet daar even liggen, op temperatuur komen, een paar dagen, misschien enkele weken, af en toe moet je hem pakken om de hoes te bekijken, en de liedtitels te lezen, en het instrumentarium door te nemen, een poging wagen of je de muziek in gedachten reeds kunt horen, je moet er veel dingens aan hebben, hoe heet dat weer?, voorpret ofzo, maar die keer gaat het meteen de speler in, en het is totaal onbeduidende muziek, je hebt geen idee wat je er ooit in hoorde, toen, toen je bestelde, waarom bestelde je toen was je dronken ofzo, helemaal op het einde klinkt een niet rotslecht liedje en je denkt dat dat het misschien was, dat je dit liedje ergens gehoord had, en je denkt moet niet rotslecht nu de maat gaan worden? & waarom valt alles altijd tegen?

En je gaat de stad in, want dat kon toen nog, om een vrouw te ontmoeten, en toen ge kinderkens waart had gijlie nog bij elkaar in de straat gewoond, en ge waart zo’n beetje elkaars beste vrienden geweest, maar ge hebt elkaar al bijna dertig jaar niet meer gezien, en daar ga je dan, en gijlie ziet elkaar, en elkaar stevig vasthoudend sta je, en kijken en vasthouden en kussen en pas na lange tijd zet je je in beweging, en gijlie houdt elkaar nog immer stevig vast en het lopen is meer strompelen en toch sta je veel te snel bij een restaurant, een restaurant waar je maar zo zou kunnen gaan eten, de geur die naar buiten warrelt is niet kwaad, maar gijlie hebt nog geen zin om er te gaan zitten, en je blijft lopen, een lopen dat meer strompelen is, elkaar stevig vasthoudend, soms even staand, soms even zittend, soms zwijgen en vasthouden en staan, soms kussen en kussen en kussen, en dan weer lopen, en gaan, en dan weer dat restaurant waar je maar zo zou kunnen gaan eten, maar weeral te vroeg en dan het gaan weer, en het praten, en het staan, en al die dingen, en dan ten derde malen dat restaurant en dan ga je maar binnen, en je gaat zitten, en je bestelt wijn, en ze blijkt ten halve een wijnkenner te zijn en alles is goed maar het eten is het slechtste dat je in lange tijd gegeten hebt en je denkt waarom valt alles altijd tegen?

Of dan dit. Tomasso Mantelli. Een Italiaan ja. Een Italiaan met een akoestische gitaar. Een Italiaan die in Kill Your Boyfriend heeft gezeten. Wat ik een fantastische band vind. Simpel en puur, zo zou het moeten zijn op dit album. Zegt de bio. En ik weet wel, geloof nooit bio’s. Zelfs niet al werden deze woorden opgetekend uit de mond van de man zelve. Geloof nooit wat artisten zeggen over hun muziek, of hun intenties. 9 useless tunes, dat vind ik dan wel weer een geweldige titel. Maar de kitscherige hoes. Ja. Eén van de lelijkste hoezen van dit jaar, kom in december maar eens af met lelijkehoezenlijstjes, ik nomineer alvast deze.

Een man met een akoestische gitaar. Daar had ik al discussies over met Angelique. Toen we student waren en op haar bed lagen, in dat kot van haar met die achterlijke poster van Björk aan de muur. Angelique, die vond dat allemaal maar niks. Die zag daar een soort van machismo in dat in haar oren alle countrymuziek onbeluisterbaar maakte. En ik snapte haar punt wel, maar ik vond dat zij zich dan depriveerde van zoveel muziek die zo intens, zo mooi, zo gloedvol kon zijn. Als je muziek ontdoet van al het overbodige kan er iets overblijven dat zo kaal is, zo intens, zo raak is. Zei ik. Zei ik allemaal. Een beetje wat die Mantelli ook zegt in die bio daar.

Wat had ik verwacht? Had ik echt keelsnoerende grondnagelende schoonheid verwacht? Nee. Misschien een soort van folkie, misschien iets dat aangenaam zou kabbelen. Een beetje verstilling allicht. Het zou al mooi zijn als die gast een fijne stem had. Het zou al mooi zijn als dit het soort cd was waarom in ieder geval één heel mooi liedje staat. Ofnee. Het zou al mooi zijn als er ergens tegen het einde een niet rotslecht liedje zou weerklinken.

Wat had ik verwacht? In ieder geval iets dat me aangenaam zou treffen. Shyrec grossiert zo’n beetje in het geluid dat ik associeer met het Groot-Brittannië van na de punkgolf. Postpunk, wave, electro. Niet meteen een label waar ik een akoestische plaat op verwacht.

Wat had ik verwacht? Een elementaire bluesplaat a la Robert Johnson of Leadbelly? Fingerpickin’ in de stijl van lawwezegguh John Fahey, Robbie Basho, Jack Rose of Peter Walker? De stoffige neo-country van iemand als Howe Gelb? En nu we toch over zinderende zandwegen lopen te lopen: had ik hier een nieuwe Juan Martin in hopen te ontmoeten?

Neh. Eigenlijk had ik niets verwacht. Gehoopt had ik. Op iets dat misschien niet heel onaardig zou zijn.

Maar dit. Weet je waar dit aan me deed denken? Weet je die bandjes nog? In de jaren tachtig had je ze. Voornamelijk in Amerika. Ze speelden muziek die maf genoeg met de naam hardrock getooid werd. Maar het was niet hard, en niet eens echt rock. Ze kleedden zich op een manier die voor stoer moest doorgaan. Maar het zag er alleen maar ongelooflijk belachelijk uit. Die muziek. Die niet blafte, en niet beet. Vaak waren meisjes er gek op. Die hingen dan ook wel eens poster op. Van de zanger of de gitarist van zo’n soort band. En soms ging zo’n soort band dan wel eens een akoestisch album maken. Om die meisjes te laten zien dat ze niet alleen maar zogenaamd ruig konden zijn maar ook zogenaamd gevoelig. En die akoestische platen verschilden niet zoveel van hun elektrisch versterkte platen. De gitaren zagen er alleen een beetje anders uit. Dat soort platen. Wat ze normaal speelden met elektrische gitaren en dan ruig moest heten, heette gespeeld met akoestische gitaren kennelijk gevoelig.

Tommaso Mantelli 9 Useless Tunes Recensie

Daar deed me dit aan denken. Aan het niet echt gevoelige album van een niet echt ruige band. Mantelli zingt alsof hij gewend is te schreeuwen, en wat hij op die akoestische gitaar doet raakt mijn kouwe kleren nog niet. Het is niet ingetogen, het is niet verstild, het emotioneert niet, en het is zeker niet simpel en puur. Het is wat gepluk aan een gitaar en bijkans elk liedje klinkt hetzelfde als het vorige liedje. 9 inwisselbare deunen was een betere titel geweest. Zelfs dat ene niet rotslechte liedje is me niet vergund en ik denk waarom valt alles altijd tegen.

Wel. Oké. Goed. Zoek ik mijn heil toch bij Talk To Her? Die ken ik dan toch, en die rijm ik al heel wat beter bij de klankkleur van Shyrec. Inderdaad. Hier slaat de klok (minimal) wave. Hier slaat de klok electro. En ook postpunk slaat de klok hier. We zijn er weer hoor. In het Groot-Brittannië van de tachtiger jaren. PiL is naastebuur. Duister, maar ook opzwepend. Soms schittert een romantischer tintje door, zij het dan de romantiek van de zwarte roos: af en toe had ik een lichte associatie met Marc Almond, Klaus Nomi en godbetere het zelfs Laurie Anderson! Nee, dit is niets nieuws. Minstens honderdduizend platen klinken als deze, en er is geen enkele strikte reden om daaruit specifiek deze te kiezen. Dit is wat ik verwacht van Shyrec, dit is wat ik verwacht van Talk To Her (awkee, dat laatste is misschien niet helemaal eerlijk… Love will come again is feitelijk hun debuutcd, slechts voorafgegaan door dat prachtig ep’tje dat Home heette en dat ik destijds ook besprak, hier of elders). Maar het is goed. Het is mooi. Het is duister. Soms is het fijn te krijgen wat je verwachtte. Geen alarms en geen verassingen, geen alarms en geen verassingen, geen alarms en geen verassingen alstublieft. Alles is nog goed, ik ben nog steeds verdoofd, ik heb nog steeds een liedje van Radiohead in mijn hoofd.

Zabrisky, de zelfgetitelde en als ik het juist heb vijfde cd van Zabrisky, raakt ook aan het Groot-Brittannië van de jaren tachtig maar wel aan een andere hoek van het alternatieve spectrum. Een soort van Brits alternatief waar ik niet zo van hou. Let op, ik ben niet mijn buurman, ik vind niet dat Brits per se verheven is boven Amerikaans – toch niet als het om muziek gaat. Nee, Amerika heeft veel meer muziekstijlen voortgebracht die mijn aandacht hebben dat Groot-Brittannië ooit nog gaat kunnen doen. Dit is een voorbeeld van britsheid dat me nooit echt heeft weten te raken.

Dat alternatieve gitaargeluid dat ze daar hadden in de jaren tachtig, voor Britpop een instituut werd en alles verder de goot in hielp (al beken ik schuld aan een kortdurende, ik herhaal en onderstreep kortdurende voorliefde voor de muziek van Blur). Nee, ik bedoel niet shoegaze al zegt Zabrisky daardoor beïnvloed te zijn. Shoegaze had nog dat slaperige, gedrogeerde geluid dat maakte dat het mij wel smaken kon, mits gedoseerd genuttigd. Ik bedoel ook niet madchester. Dat had scheutjes dance toegelaten. Ook daar heb ik nooit veel van gehouden, maar ik kon nog wel snappen hoe een ander ervan kon houden.

Nee ik bedoel dat hele lichtvoetige alternatieve gitaargeluid van bijvoorbeeld The Smiths, en later Belle and Sebastian (hoewel de laatsten geen tijdgenoten waren van de eersten en de laatsten een paar hele mooie ep’tjes hebben gemaakt vooraleer ze echt vervelend werden). Op de havo was ik bevriend met een gast die Patrick heette en die was helemaal waus van deze muziekstijl (halllo Patrick, hoe gaat het met je jongen? Bel me eens). Die had ongetwijfeld nog twintig andere referentiebands in deze sfeer kunnen noemen (hallo Patrick, bel me eens). The La’s, was The La’s ook niet zo’n soort band? Daar hoorde ik Patrick ook wel eens over. Nietsaandehand-muziek, zo noemde Antonio en ik dit altijd. Het geluid was heel licht, de zangers hadden meestal geen opmerkelijke stemmen. Het had een zeker poëtisch karakter, dat moet ik toegeven maar het was daarom nog niet dat het mij kon aanspreken. Het miste het duister van de postpunk, het miste de mist van shoegaze, het miste meer dan het had. Dit heel open, vederlichte, alternatieve gitaargeluid is wat Zabrisky op Zabrisky biedt en ik weet niet goed of het me tegenvalt of niet want ik ken maar twee andere werkjes van deze band: Fortune is always hiding en dan nog een singeltje waarvan de naam me nu niet te binnen wil schieten en ik weet begot niet meer hoe die werkjes klonken – maar dan weer: dat vergetelijke is nu net de pregnantste eigenschap van dat Britse alternatieve gitaargeluid uit de jaren tachtig waar in het hier over heb).

De cd voorziet wel in een behoefte. Ooit had ik een verzamelcd met dat soort Britse bandjes erop, maar die heb ik weggegeven aan de buurvrouw. Want ik draaide die cd nooit. Want ik vond er zo weinig van. Later bedacht ik me dat ik helemaal geen muziek in die sfeer heb, en er is één ding waar dit soort muziek heel mooi bij past: het voorjaar.

Eigenlijk het hele vroege voorjaar. Maar dat is mijn fout. Want ik ben weer eens laat met mijn recensie. Dat je voor het eerst weer met je nog ongekamde haren en in niets dan je onderbroek in de vroegmorgen even de tuin in kan lopen om iets in de plastiekbak te gooien en dat je voor het eerst na al die donkere koude maanden weer het gras onder je voeten voelt kriebelen. Dat gevoel. Dat sprak de muziek van de bandjes die ik hierboven bedoelde, dat spreekt ook de muziek op Zabrisky. Dat het de loomheid en de broei van de hoogzomer mist, dat vele tinten te licht is voor de herfst en winter is niet eens zo erg: met die gigantische muziekverzameling van mij zijn er wel meer cd’s die voor maar enkele weken per jaar op mijn radar zijn. Dat de enige cd die me precies geeft wat ik verwachtte de mooiste is van deze Shyrec-worp (ja ik bedoel inderdaad Love will come again), vind ik dan wel weer een beetje jammer. Wie het bekende liever heeft dan het onbekende, wordt oud. En een gevoel van gebrekkigheid is wat ik juist liever niet over hou aan mijn allergrootste passie: muziek. Waarom valt alles altijd tegen?, verzucht ik dan ook maar weer eens.

Recensie van Tim Donker

Tommaso Mantelli – 9 Useless Tunes CD Informatie

  • Titel: 9 Useless Tunes
  • Artiest: Tommaso Mantelli
  • Soort album: studio CD
  • Label: Shyrec
  • Drager: CD

9 Useless Tracks Tracklist en Nummers

  1. Just Around the Bend (4:48)
  2. Empty Promise (3:40)
  3. Bitter Sweet Doomsday (3:48)
  4. I Will Learn (3:01)
  5. Now and Before (3:01)
  6. Which Game (3:47)
  7. Your Place in the Universe Is Perfect (2:32)
  8. It Can’t Be That Bad (4:07)
  9. I Smile (3:50)

CD beluisteren via Spotify


Bijpassende Muziek en Informatie